//Je hoeft niet sterk of slim te zijn, als je maar vriendelijk bent

Je hoeft niet sterk of slim te zijn, als je maar vriendelijk bent

Neanderthalers waren sterker dan wij en hadden een groter brein dan wij nu hebben. Vele primaten zijn slimmer en gemener dan wij. Wij zijn een slappe, niet al te slimme soort die toch de hele wereld domineert. Dat kunnen wij omdat wij vriendelijke apen zijn die hun emoties niet goed kunnen verbergen en die oogwit hebben. Ontdek waarom wij niet uitstierven en hoe we onze vriendelijkheid kunnen benutten voor een effectieve aanpak van onze mondiale opgaven.

Er was eens, De mens (Tekeningen Jean Barboud, Uitgever Silvester, 2017)

Chimpansees zijn slimmer en gemener dan wij

Hoewel mensen een groot brein hebben, is onze ruwe breinkracht niet echt geweldig. In meerdere tests met peuters en andere jonge primaten, blijkt dat diverse primaten beter scoren op ruimtelijk inzicht, rekenen, oorzakelijke verbanden en geheugen. Chimpansees zijn ook nog eens beter dan wij in liegen en bedriegen. Wij zijn de enige soort die gemakkelijk emoties verklapt, bijvoorbeeld door te blozen. Wij zijn een goedgelovige soort zonder pokerface. En toch zijn we de baas.

 

Vriendelijkheid is evolutionair succesvoller dan egoïsme

Circa 50.000 jaar geleden waren er tenminste vijf soorten mensen op aarde, waaronder de Neanderthaler en de Homo Sapiens en talloze andere soorten planten en dieren. Terwijl het overgrote deel uitstierf, overleefde onze soort het evolutieproces. In 1976 schreef de Britse bioloog Richard Dawkins zijn beroemde meesterwerk ‘The Selfisch Gene’. In dit boek gaf hij aan welke rol onze genen spelen in de evolutie. Hij gaat uit van egoïsme gericht op overleven. Twee jaar na de publicatie van Dawkins, in 1978, openbaarde de Rus Dmitri Belyayev een theorie die waarschijnlijk nog beter het succes van de Homo Sapiens verklaart. Deze theorie gaat uit van het ‘Survival of the friendliest’. De vriendelijkste mensensoort was het meest succesvol.

 

Vriendelijkheid als selectiecriterium bij mensen

Vanaf 1958 onderzocht Dmitri Belyayev de domesticatie van wilde zilvervossen op een grote Russische pelsfokkerij. Belyayev wilde de van nature agressieve Siberische zilvervos in een hond veranderen door de vossen te selecteren op vriendelijkheid. Hij koos vossen die niet direct in zijn vijf centimeter dikke handschoenen beten en liet deze zich onderling voortplanten. Al na vier generaties ontstonden kenmerken die we associëren met domesticatie zoals een krulstaart, babyface, kwispelen, blaffen, hangende oren en witte vlekken in de vacht. Mannetjes vossen gingen meer op vrouwtjes vossen lijken. Dit waren niet de selectiecriteria van Belyayev, maar dit zijn bijproducten van selectie op vriendelijkheid. Belyayev vermoedde dat minder agressieve dieren minder stresshormonen aanmaken en meer serotonine en oxytocine (knuffelhormoon) produceren. Belyayev trok een parallel met mensen die gedomesticeerde apen zijn en dezelfde veranderingen hebben ondergaan als de gedomesticeerde zilvervossen. Hier was geen selectie door een externe partij, maar natuurlijke selectie de drijfveer omdat vriendelijke mensen succesvoller zijn. Veel vervolgonderzoek ondersteunt deze theorie.

 

Sneller leren als bijproduct van vriendelijkheid

Groepen van menselijke na-apers zijn als soort veel slimmer dan groepen van individuele geniën die moeite hebben om hun kennis te delen. De oermens veranderde in de loop van duizenden jaren richting een vriendelijkere mens doordat de vriendelijkere mens succesvoller is in samenwerking. We ondergingen min of meer dezelfde veranderingen als de zilvervos. Ook wij produceerden steeds minder melanine (pigment). Hierdoor is bij ons het oogwit ontstaan. Dankzij oogwit kunnen we zien waar anderen naar kijken. Hierdoor kunnen we sneller van elkaar leren. Bovendien kunnen we beter inschatten wat er in de ander omgaat. In de loop van de tijd verdwenen ook onze zware wenkbrauwbogen. Daardoor kunnen we nu met onze wenkbrauwen nog beter emoties met elkaar delen. Hierdoor kunnen we beter communiceren en sneller van elkaar leren. Sommige onderzoekers vermoeden dat taal eveneens een bijproduct is van deze natuurlijke selectie op vriendelijkheid.

 

Hoe kunnen we vriendelijkheid gebruiken voor onze mondiale duurzaamheidsopgaven?

In eerdere artikelen heb ik betoogd dat onze hersenen niet goed in staat zijn om de meeste actuele duurzaamheidsproblemen op te lossen. Onze vriendelijkheid biedt hiervoor echter een mooi aangrijppunt. Mensen leren immers snel van elkaar en zijn zeer gevoelig voor sociale binding en uitsluiting. Als we onze strategie rond de duurzaamheidsopgaven goed laten aansluiten bij onze menselijke eigenschappen dan hebben we een kans. Het benoemen van de ernst van een probleem heeft niet veel effect op het gedrag van mensen omdat het te abstract is (lange termijn, ver weg, heb ik niets mee te maken). Toch is dit wat we als beleidsmakers en bestuurders vaak doen. Wat veel beter werkt is het bieden van een aantrekkelijk handelingsperspectief (makkelijk maken) met voorbeelden van hoe veel anderen het doen (leren van elkaar, sociale druk) en framing van onduurzaam gedrag als asociaal (sociale uitsluiting). We sluiten dan goed aan bij onze vriendelijke kenmerken. ‘Milieuvriendelijk’ krijgt zo een nieuwe dimensie!

Suggesties, reacties? Laat het weten.

Anjo Travaille

 

PS een noot van mijn kant. De afgelopen vijf jaar schreef ik voor ZN artikelen met meerdere bronnen. Voor bovenstaand artikel heb ik, met uitzondering van de laatste alinea, vooral gebruikgemaakt van een één bron, een fantastische podcast van Rutger Bregman van de Correspondent. Daarom een woord van dank naar Rutger Bregman en naar www.decorrespondent.nl

2019-04-15T07:22:09+00:00

Laat een reactie achter